• 006.jpg
  • 013.jpg
  • 016.jpg
  • 048.jpg
  • 093.jpg
  • 196.jpg

Eeuwenoude vlechtheggen
Heggen worden al meer dan 2.000 jaar gevlochten om het vee in de wei of buiten de akker te houden. Dat weten wij dankzij de schrijver van Julius Caesar die hier een uitgebreide beschrijving van gaf. Daarmee is het een millennia oud ambacht waar we eigenlijk weinig meer van weten omdat de vlechttechniek overbodig raakte door de komst van het prikkeldraad en de laatste ambachtslieden, veelal boeren, bijna allen gestorven zijn. Van dit oude vlechtambacht zijn nu nog sporen te vinden in oude heggen en houtwallen.

Met het verdwijnen van de vlechtheggen gaat een stuk streekgebonden cultuurhistorie voorgoed verloren en verdwijnt ook de flora en fauna die hierin hun leefgebied hebben.

 

De Keltische vlechtheggen
Het heggenvlechten begon duizenden jaren geleden bij de eerste boeren. Van archeologische aanwijzingen weten wij dat deze oeroude mensen heel vaardig waren om hazelaar en andere materialen te verwerken tot hekwerken en afscheidingen. Meestal gebruikte men dode materialen. Er zijn natuurlijk geen bewijzen meer om hun vaardigheden in heggenvlechten te illustreren.

De eerste aanwijzingen van vlechten danken we aan de schrijver in dienst van Julius Caesar die hier een uitgebreide beschrijving van gaf. In het jaar 57 voor Christus trok Julius Caesar volgens de beschrijvingen in zijn boek Commentarii de Bello Gallico (Gallische Oorlogen), door Noord- Frankrijk en België. Tijdens de oorlog tegen de Nerviërs, een volk dat leefde tussen de Maas en de Schelde, werd de voortgang van het Romeinse leger volgens het boek opgehouden door een versperring van ondoordringbare heggen met gevlochten takken, die al lijken op onze gevlochten heggen. De Nerviërs brachten Caesars troepen tot op de rand van de ondergang bij een rivier die hij Sabis noemt, mede dankzij de vlechtheggen. De beschrijving geeft al aanwijzingen over de kennis van de lokale bevolking hoe zij heggen gebruikten. De letterlijke vertaling van Caesars beschrijving uit Bello Gallico: “Deze mensen hakken jonge boompjes om –echter zonder ze geheel door te hakken– en buigen ze en vervlechten de in de breedte groeiende takken, voegen doorn- en braamstruiken ertussen en zijn zo in staat deze heiningen tot een verschansing als een muur te vormen zodat men er niet alleen niet door kan dringen, maar er zelfs niet doorheen kan kijken.”

 

Middeleeuwen
In de middeleeuwen, tussen 500 en 1500 komen we twee soorten gevlochten omheiningen tegen. Namelijk een omheining gemaakt van gevlochten dood hout en de levende vlechtheg.

 

Vlechtwerk van dood hout
Omheiningen die bestonden uit een vlechtwerk van dood hout waren een veel voorkomend element in de vroegmiddeleeuwse cultuurlandschappen. Deze zorgden ervoor dat de akkers beschermd werden tegen het vrij loslopende vee, het wild of andere ongewenste indringers. Men heeft dit vast kunnen stellen aan de hand van archeologische opgravingen en schriftelijke bronnen zoals wetsteksten. Zo werden er in de wetsteksten bepalingen opgenomen over de aanleg en onderhoud van omheiningen. Dit houten vlechtwerk werd een tuyn (of tuun) of vrede (of vrij) genoemd. In de zesde tot achtste eeuw wordt gesproken over omheiningen van rechtopstaande ingegraven palen en bundels wilgentenen, die door middel van 3 dunne twijgen met elkaar verbonden waren. Voor de palen gebruikte men meestal eikenhout omdat dit hout niet snel verrot. In de vroege Middeleeuwen worden hoge boetes vastgesteld voor het achterstallig onderhoud van de omheiningen. Binnendringend vee kon door slecht vlechtwerk veel schade aanrichten op de gemeenschappelijke akkers. Omdat maar een tiental jaren gebruik gemaakt kon worden van dezelfde akker gebruikte men alleen omheiningen van dood hout. Het planten van levende heggen of aanleg van houtwallen kostte te veel tijd en inspanning en eer de heg voldoende groot en dicht was om het vee te keren was de akker al weer uitgemergeld en verlaten. De omheiningen van dood hout konden meegenomen worden naar de volgende akker voor zover het hout niet al te rot was. Daarnaast kwam er nog voldoende hout vrij bij het ontginnen van de bossen.

 

Levende vlechtheggen
Levende vlechtheggen zijn er waarschijnlijk al meer dan 2000 jaar. In de middeleeuwen werden er ook al heggen of houtwallen aangelegd rond kampen. Kampen zijn individuele relatief kleine ontginningen apart van de gemeenschappelijk dorpsakkers waarbij de eigenaar rond zijn nieuw perceel, soms op een wal, een een- of meerrijige beplanting heeft aangelegd. De ommekeer van dode omheiningen naar levende vlechtheggen kwam met het groeiend tekort aan hout. Om de sterk groeiende bevolking te kunnen voeden werd er veel bos omgezet in akkers en weilanden. Ook ontstond een groeiende vraag naar bouw-, gerief- en brandhout. Nog bestaande bossen waren veelal in handen van de adel die hun bezittingen beschermde tegen houtroof. Voor hen was de jacht ook belangrijk. Er dreigde overal een tekort aan hout.

Vlechtheggen langs akkers
Er ontstond het besef dat de omheiningen van dood hout jaarlijks veel hout vroegen dat langzaam wegrotte op de akkers. Door de aanleg van levende heggen kon men niet alleen besparen op hout, als men slim omging met het beheer van de heggen konden deze heggen ook nog hout leveren. Uit die tijd stamt dan ook het gezegde: “Dode omheiningen kosten hout, levende omheiningen leveren hout”. In de tijd dat de gemeenschappelijke dorpsakkers in de hoge en late middeleeuwen haar definitieve omvang kregen, werden ook om andere redenen overgegaan tot de aanleg van levende heggen. Deze heggen waren duurzamer omdat ze eigenlijk een bijna onbeperkte levensduur hadden. Door de heggen te vlechten door middel van een speciale techniek werden ze ondoordringbaar gemaakt voor het vee dat buiten de akkers graasde.

 

Vlechtheggen langs houtsingels
Hout werd zelfs zo kostbaar dat grondeigenaren (boeren, kloosters, landgoedeigenaren) langs hun akkers of weilanden brede stroken hout aan gingen planten om hout te kunnen oogsten. Eeuwenlang bracht het telen van hout meer op dan de gewassen op de akkers. Er werden zelfs doornheggen aangeplant op de grens tussen het weiland en de houtsingel of houtwal. Deze heggen werden vervolgens ondoordringbaar gemaakt voor het vee door ze te vlechten om zodoende de houtwal te beschermen tegen veevraat.

 

Vlechtheggen langs weilanden
De lagere gronden waren de geschiktste hooi- of weilanden. Tot ca. 1300 waren deze gronden meestal gemeenschappelijk bezit en liet men het vee overdag grazen onder toezicht van een koeherder. Gedurende de avond tot de morgen stond het vee op stal om het kostbare mest op te kunnen vangen. Vanaf het begin van de veertiende eeuw kwam de individuele pacht of eigendom in opmars met name in Noord Brabant. In bepaalde streken van Nederland bijvoorbeeld in het oosten was het gemeenschappelijke bezit (marken) nog veel langer in zwang. Bij de overgang naar individueel beheer werd de afbakening van het eigendom belangrijk. Ook moest voorkomen worden dat het vee buiten de grenzen van het bezit ging. De aanleg van heggen op de grens, die ondoordringbaar gemaakt werden door ze te vlechten, was een uitstekend middel om aan beide voorwaarden te kunnen voldoen.

Daarnaast was er langs rivieren nog een andere reden om geen gebruikt te maken van dode omheiningen. Meestal jaarlijks trad de rivier buiten haar oevers. De overstroming had daarbij zo’n kracht dat omheiningen van dood hout met gemak meegesleurd werden door de rivier. Heggen gevlochten met enkel levende stammen en takken waren daarentegen bestand tegen de enorme waterkracht.

Contact

Wim de Vrij
Coördinator
Vlechtheggen Zuid-Nederland
tel. 0413 - 478252
of 06 - 23370534
info@vlechtheggen.nl

 

logoPBC logo Brabants landschap  logo Limburgs landschap  HGW Label Logo nieuw 
Logo SdBB 
NPL logo 2013 fonds voor cultuurparticipatie logo dtop